BEZOEK AAN HET FORT VAN EBEN-EMAEL EN
THORN OP 27 MEI 2010
Het was of vele werknemers die dagelijks de ring rond Brussel
onveilig maken verlof hadden genomen. Zoals gebruikelijk vóór het afgesproken
uur vertrokken reed de autocar op 10’ naar het parkeerterrein
van NOH, waar nog geen enkele van de daar op te stappen deelnemers
te bespeuren viel. En
daarenboven diende de
autocar zich op een zijbaan van de parkeerplaats te verstoppen, alsof hij een
vreemd buitenaards voorwerp betrof. De 32 belangstellende
West-Brabanders konden zich na een onberispelijke rit naar Eben-Emael in
"Le moulin de la Frangèle”, aan de boord van dit waterloopje
gelegen, langs een krakende, jaren oude houten trap naar de
verdieping hijsen waar de verschillende
soorten taarten op hen wachtten, die samen met de koffie
onmiddellijk werden aangevallen.
Na enkele stappen bereikt de groep de nabijgelegen ingang van het
fort, waar na een speurtocht toch een gids, een Nederlander nog wel, op de kop
getikt kon worden.
Een korte
introductie werd gevolgd door een uitgebreid exposé over het hoe en het waarom
van dit fort en de slechts uren in beslag nemende inname door de Duitsers bij
het begin van de invasie in 1940. Meerdere malen legde de gids de nadruk op de
verkeerde interpretatie van het gedrag van de toenmalige Belgische troepen die
door de buitenwereld verweten werden niet genoeg moed aan de dag te hebben
gelegd. Er was evenwel geen kruid (en ook kruit) gewassen tegen de overmacht
van de Duitsers. Daarna begon onder zijn leiding de tocht doorheen de vesting
tijdens hetwelk de bezoekers zich een idee konden vormen van het toenmalig
comfort van zowel de slaap - en eetzalen, de infirmerie, de douches en
toiletten als van de commandoposten en de infrastructuur. Langdurig werd stil
gestaan bij de gevolgen van de explosies van de door de tegenstander gebruikte
munitie.
Nadat de gids
op
het overschrijden van het bezoekuur opmerkzaam was gemaakt, kon de autocar met
enige vertraging in Kanne het restaurant " ’t Dicke Verschil” bereiken waar
de groep met juist voldoende ruimte (sommige eters moesten wel iets meer plaats
afstaan) de tafels in bezit namen en van een bijna gastronomische maar vooral
copieuze maaltijd konden genieten. Niet te verwonderen dat deze ook meer tijd
dan voorzien in beslag nam.
Uiteindelijk kon de autocar het Nederlands grondgebied binnen rijden
en koers zetten naar THORN, het witte stadje in het Limburgse land.
Opgedeeld in twee groepen bezochten de West-Brabanders de abdijkerk,
enig overblijfsel van de in de 10de eeuw gestichte klooster voor
benedictinessen. De actueel uit de 14de eeuw daterende Michaelskerk (stiftkerk)
werd evenwel dikwijls beschadigd en in de loop van de 19de eeuw volledig
gerestaureerd. Zowel de crypte, het koor als het achterliggende verhoogde "vorstinnenkoor”
werden uitvoerig besproken. De gidsen begeleidden de bezoekers doorheen de
dorpskern, waarin de korte, gekleurde paaltjes opvielen waar aan de hand van
een audio gids inlichtingen bekomen konden worden betreffende de
belangstellingspunt. Het was echter vooral de witte kleur van de gebouwen die
de aandacht trok. Deze verf moet de gevolgen van de verbouwingen verstoppen
zodat ze minder op vallen.
Na het bezoek verzamelden de deelnemers op het terras van de
stadsherberg
en
hotel-restaurant Crasborn, om er uitvoerig de dorst te lessen en herinneringen
op te halen. Met enige vertraging kon de terugreis aangevat worden die zonder
problemen verliep en tijdens dewelke de organisator en begeleider Louis door de
voorzitter met veel verve werd bedankt en de aandacht van de reizigers werd
gevraagd voor de toekomstige activiteiten.
Tot nog eens Louis.

RoDel

------------------------------------
VERSLAG
REIS NAAR HET ZWARTE WOUD
20
tot 25 september 2009.
De
laatste buitenlandse reis, georganiseerd door Piet Bombois.
Zoals gewoonlijk waren de 31 deelnemers, op
zondag ochtend, ruim tijdig (6.30 u.) op post aan het Militair Hospitaal. De
bus was er niet… Wel kwam hij aanrijden net binnen het academisch kwartiertje.
Het stallen van de rijtuigen verliep gezwind
en het voorziene vertrekuur werd gehaald.
Onze eerste, voorziene, culturele halte was
een tegenvaller. Wij verwachtten aan de Mummelsee een prachtig, houten, Zwarte
Woudhotel met koffie en taart, maar troffen er een volledig afgebrand hotel, in
de steigers.
De Mummelsee,
469 ha. "Het watervlak is bijna volmaakt rond, ingesloten in
een oerbos” schrijft Maria Jacques. Het donderdiepe bergmeer stamt uit de
ijstijd en ligt op 1032 meter, met zijn zwartgroene kleur een uitnodiging tot
een gezonde wandeling van een dik half uur.
|
Maar, het pad was verwaarloosd en leek de
wandelaars niet veilig. Toen het nog begon te regenen werd de wandeling
geschrapt, … en dus ook geen Zwarte Woudtaart. Maar dit euvel werd rijkelijk
goedgemaakt in het pension Endehof, waar de wijnglazen geen maatstreepje
nodig hadden, de boord volstond. Boordevol dus, die glazen!
De maandagochtend vertrokken we richting St.
Märgen waar wij een prachtig kloosterkerkje bezochten, gewijd aan Maria
Hemelvaart.
|
|
Dit is een barokkerk in wit en goud, met smaak
gerestaureerd nadat ze twee keer uitbrandde, de laatste keer door
blikseminslag.
|
|
|
|
|
Op het Rozenkransaltaar kan men nog de rijke
oogst aan geredde beelden bewonderen van houtsnijder Matthias Faller. De gids
geeft zeer uitgebreid commentaar, niet altijd even duidelijk, maar we
onthouden dat de "echte” kleine beeldjes zijn vervangen door namaak want ze
zijn zo kostbaar en aantrekkelijk voor dieven, dat ze nu bewaard blijven
achter slot en grendel. Ook de prachtige kruisweg, buiten, werd ooit gestolen
en nu vervangen door namaak.
Het is een geliefd bedevaartsoord.
|
In het museum, ernaast, konden we kennismaken
met de vermaarde "
Schwarzwalduhren
”
Tot onze verbazing moesten we vaststellen dat
de oorspronkelijke koekoeksklokken in niets gelijken op de huidige exemplaren.
We staan aan het begin van het uurwerk bouwen.
Oorspronkelijk waren het kleine familiebedrijfjes (Heimindustrie). Het idee
kwam blijkbaar uit Italië maar in het Zwarte Woud evolueerde de klok naar haar
huidige vorm.
In het museum staan zeer waardevolle stukken,
sommige met complete muziektrommel met dansmuziek. Het ritme van de dans was
wel afhankelijk van de vochtigheidsgraad.
In vroegere Duitse gezinnen ging de boerderij
of het bedrijf over op de jongste zoon. De oudste ging dan maar uurwerken
verkopen, koffer vol uurwerken en onderdelen op de rug, tot in Londen en zelfs
tot in Amerika.
Rond de middag trokken we naar de Titisee,
waar wij onder een blakende zon, vrijelijk, van deze prachtige omgeving en
bijhorend winkelaanbod konden genieten.
De Titisee is een gletsjermeer, 2 km lang en
40 m diep. De weg daarheen staat op de kaart aangeduid als "Panoramastrasse”
Een breedgeërodeerde vallei, met prachtige vergezichten, ondermeer de Feldberg
(1493 m) hoogste punt van het Zwarte woud, met zijn skischanzen en bijhorende
hotels. De weg daalt in prachtige bochten van 1300 meter tot in Freiburg op 280
m.
Een langzame maar prachtige afdaling van
ongeveer 1000 meter en na het drukke toeristische Titisee ging het weer
richting Oberprechtal, naar de boordevolle wijnglazen en een verkwikkende
nachtrust.
|
|
Op dinsdag rijden we naar de Bodensee, of
het meer van Konstanz.
Het water heeft een zeer laag peil, het was
immers een droge zomer. Denise vertelt dat ze het meer ooit zag overstromen.
Dat zal in de lente geweest zijn als de sneeuw in de bergen smelt.
Ons doel is het bloemeneiland MAINAU,
eigendom van de familie Bernadotte. De rozentuin was aan zijn laatste
bloeitijd toe, begrijpelijk voor eind september, maar wat een weelde aan
rotspartijen endahlia’s. De kleurenrijkdom van meer dan 80 soorten valt met
geen pen te beschrijven. Op een gedenksteen lezen we volgende tekst:
|
1939: Leonard
Bernadotte kauft die Insel Mainau seinem Vater ab.
1954: wird
President der Gezellschaft der Blumenfreunde Konstanz.
Noblesse oblige! Er is ook een visvijver, een
dierenaaipark, je kon er blijven naar kijken. Maar, de tijd spoedt heen en de
busrit terug naar het Oberprechtal duurt bijna 2 uur. Adieu, meer van Konstanz,
met Zwitserland aan de overkant.
|
Woensdag: Colmar. Even over de grens wippen:
we zijn in Frankrijk en de stadswandeling met gids gebeurt in het Frans.
Colmar: capitale du vin en Alsace. Een eerder kleine stad, de tweede van het
departement zegt de gidsmevrouw, met gepaste fierheid. Ze vertelt ons tal van
wetenswaardigheden als: dat de stad tijdens de wereldoorlog niet werd
verwoest…dat wel 45 gebouwen in het centrum zijn geklasseerd als historisch
monument uit de gothische periode, de renaissance en het franse classicisme.
Ze spreekt over de "Style Wilhelmien of Prussien”.
|
|
Haar grootmoeder heeft 5 keer de verandering
van nationaliteit beleefd met al de papieren rompslomp die daarbij hoort. De
stad is gebouwd op het grootste grondwaterbekken van Europa. Men bouwt dus al
vroeg huizen in steen voor de benedenverdieping, en verdere verdiepingen in
hout, handig als het grondwater stijgt. De zolder is de opslagplaats voor het
graan (grain – grenier). De houten vakhuizen kunnen een aardbeving van 7 op de
schaal van Richter doorstaan. Bij het huis van Auguste Bartoldi, aan een mooi
pleintje, een ogenblikje stilte: ze vertelt dat hij de bouwer was van het Amerikaanse
vrijheidsbeeld.
Het "Musée Unterlinden” zou het meest bezochte
van Frankrijk zijn. Ze bespreekt uitvoerig het werk
|
van Martin Schöngauer, La Vierge au buisson
de roses, en de invloed van Rogier van der Weyden. Andere bezoekers (en het
zijn er veel, jaarlijks meer dan 300.000) worden gevraagd om onze groep de
nodige plaats te gunnen.
We vernemen ook dat de "Collegiale Saint
Martin de Colmar” de tweede van de regio is. Er is maar één toren, gebrek aan
centen. Hier redt Sint Nicolaas 3 jonge meisjes van de prostitutie.
Ze toonde ons hun "Manneken Pis”, een cadeau
aan de stad van Adolphe Max.
Op de gedenkplaat "en souvenir des souffrances comunes pendant la
guerre, en hommage à l’inaltérable gaîté belge et la bonne humeur
d’Alsace...".
De streek zou de grootste moestuin van
Frankrijk zijn en de meest gegeerde wortelen: "la Nantaise en La Colmar”...Interessant
toch?
|
Donderdag 24 september: Freiburg, hoofdstad
van het Zwarte Woud.
|
Ik geloof Maria Jacques als ze schrijft:
"Het Zwarte Woud is niet zwart. De beroemde sparren op de bergen staan
purperblauw tegen de hemel met een roze glans tegen de ochtend- en avondzon.
Als het regent worden ze grauwgroen. De fruitbomen dragen bloesems in mei en
de loofbomen goud in de herfst en tijdens de lange winter is het één
sneeuwwit wonder.”
Onze wandeling door de stad begint aan het
standbeeld van Bertold Schwartz, uitvinder van het buskruit, monnik en
alchimist (in die volgorde). De straten zijn geplaveid met halve keien,
netjes middendoor gezaagd en in mooie patronen gelegd: Rheinkiezel!
De Bächlertour volgt de kleine beekjes die
kriskras door de stad lopen. We beginnen bij het "Neue Rathaus” en bewonderen
een prachtig uitgewerkt balkon waar prominenten zich kunnen laten toejuichen.
Zelfs eens de Dalaï Lama.
|
|
In 1120 reeds werden de beekjes uitgemetst,
soms ook overwelfd. Ze dienden voor alles waar water voor nodig is en ook als
bluswater, wat voor die tijd zeer progressief was. Het water kwam van de bergen
neder naar de Rijn, in natuurlijk verval, bevloeide de tuinen en liet de molens
draaien. Vandaag, 21ste eeuw, zijn ze hoofdzakelijk een
bezienswaardigheid voor toeristen als wij. Quellwasser uit het Schwarzwald
loopt nu in buizen door de stad.
Freiburg was Oostenrijks bezit tot Napoleon.
De stad telt 210.000 inwoners en 25.000 studenten. Je kan er alles studeren en
het stadsbestuur is groen.
We kwamen voorbij het huis waar DESIDERIUS
ERASMUS van Rotterdam een tijdje verbleef. Hij kwam uit Bazel, moest er weg
vanwege de protestantse druk en verbleef o.m. ook in Brussel…. We bezoeken ook
de "Münsterkirche”. Begonnen in 1250 als romaanse kerk maar afgewerkt in
gothische stijl met centen van de burgerbevolking. Tijdens de oorlog werden de
brandglazen in kisten verpakt en gered. Alleen hier(in Duitsland) hebben ze dat
gedaan. We bewonderen het glasraam van Sint Kristoffel, patroon van de
reizigers en aanbeden tegen de plotselinge dood. Er zijn zelfs twee bronnen in
de kerk, maar het kraantje was dichtgedraaid. De kerk bevat 4 orgels,
afzonderlijk of samen te bespelen, zonder vervelende echo. Dat konden we niet
proefondervindelijk vaststellen… Jammer! De stad werd voor 80% verwoest maar
het "Münster” bleef grotendeels gespaard. Ze liet ons, tot slot, de hoofdingang
bewonderen, 600 figuren in zandsteen, alle polychroom. Mooi!
In de namiddag, na een lichte lunch in een
binnentuintje achter een beekje of ergens op een drukker plein, konden we nog
van een frisse pint genieten, nog een paar inkopen doen en dan terug naar het
Endehof, onze 5-daagse thuisbasis. We zouden die avond niet aan onze lijn
denken want er wachtte ons een Galadiner waarvan het menu een verrassing zou
blijven tot op het laatste moment. Het was lekker en het dessert, specialiteit
van de chef, Heerlijk!
Vrijdag ochtend terug naar huis met 1260 km. op
de teller. Het zouden er nog 650 bijkomen.
Als bijkomende halte, een bezoek aan: World of
Living, waarvan ik persoonlijk meer had verwacht. Een teletijdmachine moest ons
naar de oertijd terugbrengen, wat natuurlijk niet lukte.
Het leven in de oertijd wordt op een wat
stuntelige manier voorgesteld. Door duistere gangen overbrug je wel 100.000
jaar tot je, pardoes, bij de mummie van Ramses II staat, in de badkamer van
Cleopatra. Vervolgens weer een duistere gang en je bekijkt, samen met keizer
Nero, de grote brand van Rome, daarna een middeleeuwse ridderzaal, een
nomadentent in de woestijn, recht naar een ruimtecapsule om te ontsnappen als
de wereld vergaat. Het laatste, weer in open lucht, moest het huis van de
toekomst zijn maar je kon er niet in.
Zal de toekomst een raadsel blijven? De
bedoeling is duidelijk: een uurtje oponthoud en een snelle hap, halfweg een
lange busreis. Niet slecht bedacht.
Maar, eind goed al goed, als verwende
toeristen werden we netjes weer afgezet op de parking waar we vertrokken. In
ons hart veel dank aan Piet en Denise, en spijt dat het de laatste keer zou
zijn. Dank je, Piet, je bent er nog eens in geslaagd om ons 5 mooie dagen te
laten beleven.
Monique
Van Marcke
Foto’s:
Marcel Verlaenen
-------------------------------------------------------------------------------------------
BEZOEK
AAN HULST EN MOSSELFESTIJN IN PHILIPPINE
Donderdag
15 oktober 2009
Nadat
de laatkomers ingescheept waren en de autocarchauffeur de weg langs een
alternatieve route naar het MH had gevonden, kon met een 20 tal minuten
vertraging, maar vergezeld van de zon, gestart worden in de richting van
Nederland. Alhoewel zich onderweg geen hindernissen meer voordeden, kon wegens
de ‘voorzichtige’ rijstijl van de chauffeur (of was het de techniek die het
liet afweten?) de vertraging niet gereduceerd worden en moesten de
kennismakende en nieuwtjes uitwisselende gesprekken bij het ontbijt in het
restaurant "Het Bonte Hert” in versneld tempo worden afgewerkt.
Opgesplitst
in twee groepen en onder leiding van gidsen trokken de West-Brabanders er dan
op uit om het naar de hulststruik verwijzende stadje
HULST
te gaan verkennen. Het ontstaan en de geschiedenis van de stad werden
uitgebreid uit de doeken gedaan. In de 9de eeuw zou in het drassige
land, aan één van de geulen die naar de Hont (de huidige Westerschelde)
leidden, een nederzetting ontstaan zijn. Nadat die tot Vlaanderen behorende
gemeenschap in de 12de eeuw stadsrechten had verworven, ontwikkelde
deze zich tot een belangrijke vesting- en havenstad. Ten einde zich tegen indringers
te beschermen werden stadswallen aangelegd. Eerst zorgden de inwendige ruzies
met Gent voor krijgsgewoel. Daarna kwamen de oranjetroepen de stad bezetten,
maar niet voor lang want de Spanjaarden verjaagden hen enkele jaren later. Tot
in het midden van de 17de eeuw de troepen van de Noordelijke
Republiek op het toneel verschenen. Met de Fransen nam de moderne geschiedenis
een aanvang. Ondertussen was de haven verzand en trad het verval van de stad
in.
|
Op de Grote
Markt, waar de marktkramers hun waren aan de man/vrouw probeerden te brengen,
konden de bezoekers oog hebben voor de statige burgerhuizen, getuigen van de
voormalige welvaart van de stad. De aandacht ging evenwel meer uit naar het
Stadhuis
, dat in laatgotische stijl werd gebouwd, op de plaats van menige
voorganger. Dit bij uitstek symbool van de stadsburger heeft evenwel een
woelige geschiedenis achter de rug. Het origineel exemplaar dateert uit 1200,
dat, nadat het door de Gentenaars werd verwoest, in het midden van de 15de
eeuw door een nieuw gebouw werd vervangen. Wanneer de Gentse troepen en hun
huurlingen dit laatste hadden bezet werd het in 1485 door de inwoners zelf in
brand gestoken. In 1531 werd op dezelfde plaats een nieuw gebouw opgetrokken.
Met het verstrijken van de tijd deed het achtereenvolgens dienst als
gevangenis en stadswaag, pakhuis en hotel. Recent werd aan de achterzijde een
modern, betonnen gedeelte bijgebouwd.
|
|
Ter
dier gelegenheid werd ook het historisch gedeelte van het oude gebouw in een
modern kleedje gestoken. Dat de stad ooit tot Vlaanderen behoorde, kan, te zien
aan de enkele afbeeldingen van de leeuwen, moeilijk geloochend worden. Twee
versieren de trappen die aan de voorkant naar het stadhuis leiden en twee
andere bevinden zich op de achtergevel.
Men
kan het gebouw zomaar niet binnentreden. Maar, doordat de gids blijkbaar de
toestemming had gekregen, trokken beide groepen dan naar de
Trouwzaal,
om er de uitgebreide uitleg te aanhoren aangaande het schilderij
betreffende de gerechtigheid van de hand van Jacob Jordaens. In de
Raadzaal
konden de bezoekers zich een idee vormen van het uitzicht van de stad
in vroegere eeuwen aan de hand van een schilderwerk dat de Hulstenaar Corneel
De Vos in 1628 konterfeitte. We vernamen er terloops bij het tellen van de
zitjes van de raadsheren, dat de schepenen hier geen deel uitmaken van de raad.
|
|
De groepen
dienden slechts het marktplein over te steken om in de
Basiliek van
Willibrodus
binnen te treden. Dit recent tot de
mooiste kerk van Nederland gepromoveerd gebedsoord heeft ook een ganse weg in
de geschiedenis van de stad afgelegd. De eerste kerk die op deze plaats werd
gebouwd dateert van 1200. In de periode tot 1400 werd ze twee maal vergroot.
Gedurende de volgende eeuw had ze af te rekenen met een brand. Zoals ze er nu
uitziet, namelijk opgetrokken in de grijze natuursteen in de stijl van de
Brabantse Gotiek, werd ze gebouwd in 1530. De beeldenstorm raasde hier ook
voorbij, maar veel van de inboedel werd in Gent in veiligheid gebracht. Vanaf
1640 kregen de protestanten de kerk toegewezen. Met de komst van Napoleon
kwam de kerk terug in het bezit van de katholieken die ze tot 1928 moesten
delen met de protestanten.
|
De
inboedel die in Gent in veiligheid was gebracht kwam evenwel niet terug en
alhoewel een deel van het meubilair en de beelden vernieuwd werd geeft het
interieur van de kerk een kale en kille indruk. De katholieken kochten daarna
de kerk en de protestanten bouwden een eigen gebedsoord. De torenspits werd
tijdens WOII vernield en daarna vervangen door de huidige betonnen constructie
die in de volksmond de "frietvork” wordt genoemd. In 1935 werd de kerk tot
Basiliek verheven.
We
konden er in het interieur de kentekenen van zien: de roodgele parasol en de
bel. De gids voegt er nog een derde aan toe, namelijk de rode mantel die in een
glasraam is te onderscheiden. En dit interieur, waarvan de afmetingen in
verhouding moeten gestaan hebben met de toenmalige welvaart, blinkt nog uit
door de aanwezigheid van prachtige glasramen, enkele schilderijen, de
kaarsenkronen en toch nog een biechtstoel.
Via
de Steenstraat begeleidden de gidsen de groepen naar de stadsomwalling. De
wandeling gaat via het plein dat de vismarkt was en waar een aantal woningen
werden afgebroken ten einde het project van het opnieuw uitgraven van de voormalige
binnenhaven te kunnen realiseren.
|
|
Bij de Dobbele
Poort of Bollewerckpoort aanhoorden de bezoekers de geschiedenis van de bouw
van zowel de versterking als deze van dit bouwwerk dat als land- en
waterpoort dienst deed. Langs deze weg was de haven immers met een vaargeul
met de Hont verbonden. De poort werd in het midden van de 20ste
eeuw uit de onder gedolven vergetelheid gehaald.
We konden er ons
opnieuw van vergewissen dat de ene gids de andere niet is en dat de
noodzakelijke opsplitsing in
|
groepen
niet noodzakelijk ten goede komt aan het opdoen van een evenwaardige kennis.
Maar zoals een bekende figuur het poneert "heeft ieder nadeel ook zijn
voordeel”.
Ondertussen
had de honger van zich laten horen en trokken de groepen opnieuw naar het
restaurant "Het Bonte Hert”, waar een broodmaaltijd werd opgediend. De daarop
volgende vrije tijd gaf aan de West-Brabanders de gelegenheid om aan de
marktkramen of in de winkels van de omliggende straten op jacht te gaan naar
iets bruikbaars. Wat trouwens bij enkele deelnemers nog lukte ook.
Dezelfde
groepen trokken er dan onder leiding van andere gidsen op uit voor een
stadswandeling,
tijdens dewelke de bezoekers veelvuldig gewezen werd op de
aanwezigheid van afbeeldingen van Reinaert De Vos, zowel in de vorm van
monumenten als dakversieringen. De stad Hulst wordt immers vermeld in het
middeleeuws epos
Van Den Vos Reinaerde
en ze
heeft zich het logo van Reinaertstad eigen gemaakt. De gidsen brachten de
bezoekers opnieuw naar de omwalling waarvan een groot gedeelte werd
afgewandeld. Ze zagen nog een windmolen uit het einde van de 18de
eeuw en kregen mooie uitzichten op de torens van de basiliek, het stadhuis en
de protestantse kerk. Ze wandelden over verschillende bolwerken (bastions) en
kregen een beeld van de buiten de wallen ingerichte parken met waterplassen en
op de achter de dijken lager liggende huizen. Ondertussen kregen ze uitleg over
de refugiehuizen, waarin in vroeger tijden de bewoners van de buiten de stad
gevestigde kloosters in tijden van nood hun toevlucht konden zoeken. Deze
monniken hielpen trouwens bij de bouw van de omwalling. De wandeling werd
onderbroken voor een bezoek aan het atelier van een klokkenhersteller, die op
vragen van de specialisten terzake antwoordde en de aandacht vestigde op de aanwezigheid
van oude exemplaren. De beschikbare ruimte in het atelier was te klein om
groepen van +/-20 personen te ontvangen, en daarenboven was het er zeer warm.
Een ander atelier dat bezocht diende te worden was evenwel gesloten en de met
dit feit vervelend zijnde gidsen wisten geen raad. Dan maar het derde atelier
opgezocht, dit van de goudsmid. In dit atelier werd getoond hoe de ringen en
andere sieraden met de hand worden vervaardigd. Maar ook hier was het wegens
het gebrek aan ruimte drummen om iets van de activiteiten te kunnen zien.
Op
het einde van het bezoek werd opnieuw op het terras van "Het Bonte Hert”
verzamelen geblazen om bij het genieten van een meestal Belgisch biertje uit te
rusten van het benenwerk. En de autocar diende ook nog wandelend opgezocht te
worden.
Tijdens
de rit naar
PHILIPPINE
kon evenwel enigszins tot
rust gekomen worden. Ondanks de lange wachttijd aan de kanaalbrug in Terneuzen
konden de West-Brabanders tijdig in ”l’Auberge des Moules” aan de gereserveerde
tafels aanschuiven voor het door de organisator beloofde mosselfestijn. De
dampende mosselpotten, begeleid door de vereiste dranken, werden gretig
aangesproken.
Het
buikje rond konden de reizigers tijdens de terugrit langs het kanaal via Gent
uitblazen en ze werden slechts gewekt om de organisator Cyrille in alle
toonaarden te bedanken voor deze door de zon overgoten dag.
RoDel
Nadat de
gids
op het overschrijden van het
bezoekuur opmerkzaam was gemaakt, kon de autocar met enige vertraging in Kanne
het restaurant " ’t Dicke Verschil” bereiken waar de groep met juist voldoende
ruimte (sommige eters moesten wel iets meer plaats afstaan) de tafels in bezit
namen en van een bijna gastronomische maar vooral copieuze maaltijd konden
genieten. Niet te verwonderen dat deze ook meer tijd dan voorzien in beslag
nam.
Uiteindelijk kon
de autocar het Nederlands grondgebied binnen rijden en koers zetten naar THORN,
het witte stadje in het Limburgse land.
Opgedeeld in twee
groepen bezochten de West-Brabanders de abdijkerk, enig overblijfsel van de in
de 10de eeuw gestichte klooster voor benedictinessen.
De actueel uit
de 14de eeuw daterende Michaelskerk (stiftkerk) werd evenwel
dikwijls beschadigd en in de loop van de 19de eeuw volledig
gerestaureerd. Zowel de crypte, het koor als het achterliggende verhoogde
"vorstinnenkoor” werden uitvoerig besproken. De gidsen begeleidden de bezoekers
doorheen de dorpskern, waarin de korte, gekleurde paaltjes opvielen waar aan de
hand van een audio gids inlichtingen bekomen konden worden betreffende de
belangstellingspunt. Het was echter vooral de witte kleur van de gebouwen die
de aandacht trok. Deze verf moet de gevolgen van de verbouwingen verstoppen
zodat ze minder op vallen.
Na het bezoek
verzamelden de deelnemers op het terras van de stadsherberg
en hotel-restaurant Crasborn, om er
uitvoerig de dorst te lessen en herinneringen op te halen. Met enige vertraging
kon de terugreis aangevat worden die zonder problemen verliep en tijdens
dewelke de organisator en begeleider Louis door de voorzitter met veel verve
werd bedankt en de aandacht van de reizigers werd gevraagd voor de toekomstige
activiteiten.
Tot nog eens
Louis.
RoDel
VERSLAG
REIS NAAR HET ZWARTE WOUD
20
tot 25 september 2009.
De
laatste buitenlandse reis, georganiseerd door Piet Bombois.
Zoals gewoonlijk waren de 31 deelnemers, op
zondag ochtend, ruim tijdig (6.30 u.) op post aan het Militair Hospitaal. De
bus was er niet… Wel kwam hij aanrijden net binnen het academisch kwartiertje.
Het stallen van de rijtuigen verliep gezwind
en het voorziene vertrekuur werd gehaald.
Onze eerste, voorziene, culturele halte was
een tegenvaller. Wij verwachtten aan de Mummelsee een prachtig, houten, Zwarte
Woudhotel met koffie en taart, maar troffen er een volledig afgebrand hotel, in
de steigers.
De Mummelsee,
469 ha. "Het watervlak is bijna volmaakt rond, ingesloten in
een oerbos” schrijft Maria Jacques. Het donderdiepe bergmeer stamt uit de
ijstijd en ligt op 1032 meter, met zijn zwartgroene kleur een uitnodiging tot
een gezonde wandeling van een dik half uur.
|
Maar, het pad was verwaarloosd en leek de
wandelaars niet veilig. Toen het nog begon te regenen werd de wandeling
geschrapt, … en dus ook geen Zwarte Woudtaart. Maar dit euvel werd rijkelijk
goedgemaakt in het pension Endehof, waar de wijnglazen geen maatstreepje
nodig hadden, de boord volstond. Boordevol dus, die glazen!
De maandagochtend vertrokken we richting St.
Märgen waar wij een prachtig kloosterkerkje bezochten, gewijd aan Maria
Hemelvaart.
|
|
Dit is een barokkerk in wit en goud, met smaak
gerestaureerd nadat ze twee keer uitbrandde, de laatste keer door
blikseminslag.
|
|
|
|
|
Op het Rozenkransaltaar kan men nog de rijke
oogst aan geredde beelden bewonderen van houtsnijder Matthias Faller. De gids
geeft zeer uitgebreid commentaar, niet altijd even duidelijk, maar we
onthouden dat de "echte” kleine beeldjes zijn vervangen door namaak want ze
zijn zo kostbaar en aantrekkelijk voor dieven, dat ze nu bewaard blijven
achter slot en grendel. Ook de prachtige kruisweg, buiten, werd ooit gestolen
en nu vervangen door namaak.
Het is een geliefd bedevaartsoord.
|
In het museum, ernaast, konden we kennismaken
met de vermaarde "
Schwarzwalduhren
”
Tot onze verbazing moesten we vaststellen dat
de oorspronkelijke koekoeksklokken in niets gelijken op de huidige exemplaren.
We staan aan het begin van het uurwerk bouwen.
Oorspronkelijk waren het kleine familiebedrijfjes (Heimindustrie). Het idee
kwam blijkbaar uit Italië maar in het Zwarte Woud evolueerde de klok naar haar
huidige vorm.
In het museum staan zeer waardevolle stukken,
sommige met complete muziektrommel met dansmuziek. Het ritme van de dans was
wel afhankelijk van de vochtigheidsgraad.
In vroegere Duitse gezinnen ging de boerderij
of het bedrijf over op de jongste zoon. De oudste ging dan maar uurwerken
verkopen, koffer vol uurwerken en onderdelen op de rug, tot in Londen en zelfs
tot in Amerika.
Rond de middag trokken we naar de Titisee,
waar wij onder een blakende zon, vrijelijk, van deze prachtige omgeving en
bijhorend winkelaanbod konden genieten.
De Titisee is een gletsjermeer, 2 km lang en
40 m diep. De weg daarheen staat op de kaart aangeduid als "Panoramastrasse”
Een breedgeërodeerde vallei, met prachtige vergezichten, ondermeer de Feldberg
(1493 m) hoogste punt van het Zwarte woud, met zijn skischanzen en bijhorende
hotels. De weg daalt in prachtige bochten van 1300 meter tot in Freiburg op 280
m.
Een langzame maar prachtige afdaling van
ongeveer 1000 meter en na het drukke toeristische Titisee ging het weer
richting Oberprechtal, naar de boordevolle wijnglazen en een verkwikkende
nachtrust.
|
|
Op dinsdag rijden we naar de Bodensee, of
het meer van Konstanz.
Het water heeft een zeer laag peil, het was
immers een droge zomer. Denise vertelt dat ze het meer ooit zag overstromen.
Dat zal in de lente geweest zijn als de sneeuw in de bergen smelt.
Ons doel is het bloemeneiland MAINAU,
eigendom van de familie Bernadotte. De rozentuin was aan zijn laatste
bloeitijd toe, begrijpelijk voor eind september, maar wat een weelde aan
rotspartijen endahlia’s. De kleurenrijkdom van meer dan 80 soorten valt met
geen pen te beschrijven. Op een gedenksteen lezen we volgende tekst:
|
1939: Leonard
Bernadotte kauft die Insel Mainau seinem Vater ab.
1954: wird
President der Gezellschaft der Blumenfreunde Konstanz.
Noblesse oblige! Er is ook een visvijver, een
dierenaaipark, je kon er blijven naar kijken. Maar, de tijd spoedt heen en de
busrit terug naar het Oberprechtal duurt bijna 2 uur. Adieu, meer van Konstanz,
met Zwitserland aan de overkant.
|
Woensdag: Colmar. Even over de grens wippen:
we zijn in Frankrijk en de stadswandeling met gids gebeurt in het Frans.
Colmar: capitale du vin en Alsace. Een eerder kleine stad, de tweede van het
departement zegt de gidsmevrouw, met gepaste fierheid. Ze vertelt ons tal van
wetenswaardigheden als: dat de stad tijdens de wereldoorlog niet werd
verwoest…dat wel 45 gebouwen in het centrum zijn geklasseerd als historisch
monument uit de gothische periode, de renaissance en het franse classicisme.
Ze spreekt over de "Style Wilhelmien of Prussien”.
|
|
Haar grootmoeder heeft 5 keer de verandering
van nationaliteit beleefd met al de papieren rompslomp die daarbij hoort. De
stad is gebouwd op het grootste grondwaterbekken van Europa. Men bouwt dus al
vroeg huizen in steen voor de benedenverdieping, en verdere verdiepingen in
hout, handig als het grondwater stijgt. De zolder is de opslagplaats voor het
graan (grain – grenier). De houten vakhuizen kunnen een aardbeving van 7 op de
schaal van Richter doorstaan. Bij het huis van Auguste Bartoldi, aan een mooi
pleintje, een ogenblikje stilte: ze vertelt dat hij de bouwer was van het Amerikaanse
vrijheidsbeeld.
Het "Musée Unterlinden” zou het meest bezochte
van Frankrijk zijn. Ze bespreekt uitvoerig het werk
|
van Martin Schöngauer, La Vierge au buisson
de roses, en de invloed van Rogier van der Weyden. Andere bezoekers (en het
zijn er veel, jaarlijks meer dan 300.000) worden gevraagd om onze groep de
nodige plaats te gunnen.
We vernemen ook dat de "Collegiale Saint
Martin de Colmar” de tweede van de regio is. Er is maar één toren, gebrek aan
centen. Hier redt Sint Nicolaas 3 jonge meisjes van de prostitutie.
Ze toonde ons hun "Manneken Pis”, een cadeau
aan de stad van Adolphe Max.
Op de gedenkplaat "en souvenir des souffrances comunes pendant la
guerre, en hommage à l’inaltérable gaîté belge et la bonne humeur
d’Alsace...".
De streek zou de grootste moestuin van
Frankrijk zijn en de meest gegeerde wortelen: "la Nantaise en La Colmar”...Interessant
toch?
|
Donderdag 24 september: Freiburg, hoofdstad
van het Zwarte Woud.
|
Ik geloof Maria Jacques als ze schrijft:
"Het Zwarte Woud is niet zwart. De beroemde sparren op de bergen staan
purperblauw tegen de hemel met een roze glans tegen de ochtend- en avondzon.
Als het regent worden ze grauwgroen. De fruitbomen dragen bloesems in mei en
de loofbomen goud in de herfst en tijdens de lange winter is het één
sneeuwwit wonder.”
Onze wandeling door de stad begint aan het
standbeeld van Bertold Schwartz, uitvinder van het buskruit, monnik en
alchimist (in die volgorde). De straten zijn geplaveid met halve keien,
netjes middendoor gezaagd en in mooie patronen gelegd: Rheinkiezel!
De Bächlertour volgt de kleine beekjes die
kriskras door de stad lopen. We beginnen bij het "Neue Rathaus” en bewonderen
een prachtig uitgewerkt balkon waar prominenten zich kunnen laten toejuichen.
Zelfs eens de Dalaï Lama.
|
|
In 1120 reeds werden de beekjes uitgemetst,
soms ook overwelfd. Ze dienden voor alles waar water voor nodig is en ook als
bluswater, wat voor die tijd zeer progressief was. Het water kwam van de bergen
neder naar de Rijn, in natuurlijk verval, bevloeide de tuinen en liet de molens
draaien. Vandaag, 21ste eeuw, zijn ze hoofdzakelijk een
bezienswaardigheid voor toeristen als wij. Quellwasser uit het Schwarzwald
loopt nu in buizen door de stad.
Freiburg was Oostenrijks bezit tot Napoleon.
De stad telt 210.000 inwoners en 25.000 studenten. Je kan er alles studeren en
het stadsbestuur is groen.
We kwamen voorbij het huis waar DESIDERIUS
ERASMUS van Rotterdam een tijdje verbleef. Hij kwam uit Bazel, moest er weg
vanwege de protestantse druk en verbleef o.m. ook in Brussel…. We bezoeken ook
de "Münsterkirche”. Begonnen in 1250 als romaanse kerk maar afgewerkt in
gothische stijl met centen van de burgerbevolking. Tijdens de oorlog werden de
brandglazen in kisten verpakt en gered. Alleen hier(in Duitsland) hebben ze dat
gedaan. We bewonderen het glasraam van Sint Kristoffel, patroon van de
reizigers en aanbeden tegen de plotselinge dood. Er zijn zelfs twee bronnen in
de kerk, maar het kraantje was dichtgedraaid. De kerk bevat 4 orgels,
afzonderlijk of samen te bespelen, zonder vervelende echo. Dat konden we niet
proefondervindelijk vaststellen… Jammer! De stad werd voor 80% verwoest maar
het "Münster” bleef grotendeels gespaard. Ze liet ons, tot slot, de hoofdingang
bewonderen, 600 figuren in zandsteen, alle polychroom. Mooi!
In de namiddag, na een lichte lunch in een
binnentuintje achter een beekje of ergens op een drukker plein, konden we nog
van een frisse pint genieten, nog een paar inkopen doen en dan terug naar het
Endehof, onze 5-daagse thuisbasis. We zouden die avond niet aan onze lijn
denken want er wachtte ons een Galadiner waarvan het menu een verrassing zou
blijven tot op het laatste moment. Het was lekker en het dessert, specialiteit
van de chef, Heerlijk!
Vrijdag ochtend terug naar huis met 1260 km. op
de teller. Het zouden er nog 650 bijkomen.
Als bijkomende halte, een bezoek aan: World of
Living, waarvan ik persoonlijk meer had verwacht. Een teletijdmachine moest ons
naar de oertijd terugbrengen, wat natuurlijk niet lukte.
Het leven in de oertijd wordt op een wat
stuntelige manier voorgesteld. Door duistere gangen overbrug je wel 100.000
jaar tot je, pardoes, bij de mummie van Ramses II staat, in de badkamer van
Cleopatra. Vervolgens weer een duistere gang en je bekijkt, samen met keizer
Nero, de grote brand van Rome, daarna een middeleeuwse ridderzaal, een
nomadentent in de woestijn, recht naar een ruimtecapsule om te ontsnappen als
de wereld vergaat. Het laatste, weer in open lucht, moest het huis van de
toekomst zijn maar je kon er niet in.
Zal de toekomst een raadsel blijven? De
bedoeling is duidelijk: een uurtje oponthoud en een snelle hap, halfweg een
lange busreis. Niet slecht bedacht.
Maar, eind goed al goed, als verwende
toeristen werden we netjes weer afgezet op de parking waar we vertrokken. In
ons hart veel dank aan Piet en Denise, en spijt dat het de laatste keer zou
zijn. Dank je, Piet, je bent er nog eens in geslaagd om ons 5 mooie dagen te
laten beleven.
Monique
Van Marcke
Foto’s:
Marcel Verlaenen
-------------------------------------------------------------------------------------------
BEZOEK
AAN HULST EN MOSSELFESTIJN IN PHILIPPINE
Donderdag
15 oktober 2009
Nadat
de laatkomers ingescheept waren en de autocarchauffeur de weg langs een
alternatieve route naar het MH had gevonden, kon met een 20 tal minuten
vertraging, maar vergezeld van de zon, gestart worden in de richting van
Nederland. Alhoewel zich onderweg geen hindernissen meer voordeden, kon wegens
de ‘voorzichtige’ rijstijl van de chauffeur (of was het de techniek die het
liet afweten?) de vertraging niet gereduceerd worden en moesten de
kennismakende en nieuwtjes uitwisselende gesprekken bij het ontbijt in het
restaurant "Het Bonte Hert” in versneld tempo worden afgewerkt.
Opgesplitst
in twee groepen en onder leiding van gidsen trokken de West-Brabanders er dan
op uit om het naar de hulststruik verwijzende stadje
HULST
te gaan verkennen. Het ontstaan en de geschiedenis van de stad werden
uitgebreid uit de doeken gedaan. In de 9de eeuw zou in het drassige
land, aan één van de geulen die naar de Hont (de huidige Westerschelde)
leidden, een nederzetting ontstaan zijn. Nadat die tot Vlaanderen behorende
gemeenschap in de 12de eeuw stadsrechten had verworven, ontwikkelde
deze zich tot een belangrijke vesting- en havenstad. Ten einde zich tegen indringers
te beschermen werden stadswallen aangelegd. Eerst zorgden de inwendige ruzies
met Gent voor krijgsgewoel. Daarna kwamen de oranjetroepen de stad bezetten,
maar niet voor lang want de Spanjaarden verjaagden hen enkele jaren later. Tot
in het midden van de 17de eeuw de troepen van de Noordelijke
Republiek op het toneel verschenen. Met de Fransen nam de moderne geschiedenis
een aanvang. Ondertussen was de haven verzand en trad het verval van de stad
in.
|
Op de Grote
Markt, waar de marktkramers hun waren aan de man/vrouw probeerden te brengen,
konden de bezoekers oog hebben voor de statige burgerhuizen, getuigen van de
voormalige welvaart van de stad. De aandacht ging evenwel meer uit naar het
Stadhuis
, dat in laatgotische stijl werd gebouwd, op de plaats van menige
voorganger. Dit bij uitstek symbool van de stadsburger heeft evenwel een
woelige geschiedenis achter de rug. Het origineel exemplaar dateert uit 1200,
dat, nadat het door de Gentenaars werd verwoest, in het midden van de 15de
eeuw door een nieuw gebouw werd vervangen. Wanneer de Gentse troepen en hun
huurlingen dit laatste hadden bezet werd het in 1485 door de inwoners zelf in
brand gestoken. In 1531 werd op dezelfde plaats een nieuw gebouw opgetrokken.
Met het verstrijken van de tijd deed het achtereenvolgens dienst als
gevangenis en stadswaag, pakhuis en hotel. Recent werd aan de achterzijde een
modern, betonnen gedeelte bijgebouwd.
|
|
Ter
dier gelegenheid werd ook het historisch gedeelte van het oude gebouw in een
modern kleedje gestoken. Dat de stad ooit tot Vlaanderen behoorde, kan, te zien
aan de enkele afbeeldingen van de leeuwen, moeilijk geloochend worden. Twee
versieren de trappen die aan de voorkant naar het stadhuis leiden en twee
andere bevinden zich op de achtergevel.
Men
kan het gebouw zomaar niet binnentreden. Maar, doordat de gids blijkbaar de
toestemming had gekregen, trokken beide groepen dan naar de
Trouwzaal,
om er de uitgebreide uitleg te aanhoren aangaande het schilderij
betreffende de gerechtigheid van de hand van Jacob Jordaens. In de
Raadzaal
konden de bezoekers zich een idee vormen van het uitzicht van de stad
in vroegere eeuwen aan de hand van een schilderwerk dat de Hulstenaar Corneel
De Vos in 1628 konterfeitte. We vernamen er terloops bij het tellen van de
zitjes van de raadsheren, dat de schepenen hier geen deel uitmaken van de raad.
|
|
De groepen
dienden slechts het marktplein over te steken om in de
Basiliek van
Willibrodus
binnen te treden. Dit recent tot de
mooiste kerk van Nederland gepromoveerd gebedsoord heeft ook een ganse weg in
de geschiedenis van de stad afgelegd. De eerste kerk die op deze plaats werd
gebouwd dateert van 1200. In de periode tot 1400 werd ze twee maal vergroot.
Gedurende de volgende eeuw had ze af te rekenen met een brand. Zoals ze er nu
uitziet, namelijk opgetrokken in de grijze natuursteen in de stijl van de
Brabantse Gotiek, werd ze gebouwd in 1530. De beeldenstorm raasde hier ook
voorbij, maar veel van de inboedel werd in Gent in veiligheid gebracht. Vanaf
1640 kregen de protestanten de kerk toegewezen. Met de komst van Napoleon
kwam de kerk terug in het bezit van de katholieken die ze tot 1928 moesten
delen met de protestanten.
|
De
inboedel die in Gent in veiligheid was gebracht kwam evenwel niet terug en
alhoewel een deel van het meubilair en de beelden vernieuwd werd geeft het
interieur van de kerk een kale en kille indruk. De katholieken kochten daarna
de kerk en de protestanten bouwden een eigen gebedsoord. De torenspits werd
tijdens WOII vernield en daarna vervangen door de huidige betonnen constructie
die in de volksmond de "frietvork” wordt genoemd. In 1935 werd de kerk tot
Basiliek verheven.
We
konden er in het interieur de kentekenen van zien: de roodgele parasol en de
bel. De gids voegt er nog een derde aan toe, namelijk de rode mantel die in een
glasraam is te onderscheiden. En dit interieur, waarvan de afmetingen in
verhouding moeten gestaan hebben met de toenmalige welvaart, blinkt nog uit
door de aanwezigheid van prachtige glasramen, enkele schilderijen, de
kaarsenkronen en toch nog een biechtstoel.
Via
de Steenstraat begeleidden de gidsen de groepen naar de stadsomwalling. De
wandeling gaat via het plein dat de vismarkt was en waar een aantal woningen
werden afgebroken ten einde het project van het opnieuw uitgraven van de voormalige
binnenhaven te kunnen realiseren.
|
|
Bij de Dobbele
Poort of Bollewerckpoort aanhoorden de bezoekers de geschiedenis van de bouw
van zowel de versterking als deze van dit bouwwerk dat als land- en
waterpoort dienst deed. Langs deze weg was de haven immers met een vaargeul
met de Hont verbonden. De poort werd in het midden van de 20ste
eeuw uit de onder gedolven vergetelheid gehaald.
We konden er ons
opnieuw van vergewissen dat de ene gids de andere niet is en dat de
noodzakelijke opsplitsing in
|
groepen
niet noodzakelijk ten goede komt aan het opdoen van een evenwaardige kennis.
Maar zoals een bekende figuur het poneert "heeft ieder nadeel ook zijn
voordeel”.
Ondertussen
had de honger van zich laten horen en trokken de groepen opnieuw naar het
restaurant "Het Bonte Hert”, waar een broodmaaltijd werd opgediend. De daarop
volgende vrije tijd gaf aan de West-Brabanders de gelegenheid om aan de
marktkramen of in de winkels van de omliggende straten op jacht te gaan naar
iets bruikbaars. Wat trouwens bij enkele deelnemers nog lukte ook.
Dezelfde
groepen trokken er dan onder leiding van andere gidsen op uit voor een
stadswandeling,
tijdens dewelke de bezoekers veelvuldig gewezen werd op de
aanwezigheid van afbeeldingen van Reinaert De Vos, zowel in de vorm van
monumenten als dakversieringen. De stad Hulst wordt immers vermeld in het
middeleeuws epos
Van Den Vos Reinaerde
en ze
heeft zich het logo van Reinaertstad eigen gemaakt. De gidsen brachten de
bezoekers opnieuw naar de omwalling waarvan een groot gedeelte werd
afgewandeld. Ze zagen nog een windmolen uit het einde van de 18de
eeuw en kregen mooie uitzichten op de torens van de basiliek, het stadhuis en
de protestantse kerk. Ze wandelden over verschillende bolwerken (bastions) en
kregen een beeld van de buiten de wallen ingerichte parken met waterplassen en
op de achter de dijken lager liggende huizen. Ondertussen kregen ze uitleg over
de refugiehuizen, waarin in vroeger tijden de bewoners van de buiten de stad
gevestigde kloosters in tijden van nood hun toevlucht konden zoeken. Deze
monniken hielpen trouwens bij de bouw van de omwalling. De wandeling werd
onderbroken voor een bezoek aan het atelier van een klokkenhersteller, die op
vragen van de specialisten terzake antwoordde en de aandacht vestigde op de aanwezigheid
van oude exemplaren. De beschikbare ruimte in het atelier was te klein om
groepen van +/-20 personen te ontvangen, en daarenboven was het er zeer warm.
Een ander atelier dat bezocht diende te worden was evenwel gesloten en de met
dit feit vervelend zijnde gidsen wisten geen raad. Dan maar het derde atelier
opgezocht, dit van de goudsmid. In dit atelier werd getoond hoe de ringen en
andere sieraden met de hand worden vervaardigd. Maar ook hier was het wegens
het gebrek aan ruimte drummen om iets van de activiteiten te kunnen zien.
Op
het einde van het bezoek werd opnieuw op het terras van "Het Bonte Hert”
verzamelen geblazen om bij het genieten van een meestal Belgisch biertje uit te
rusten van het benenwerk. En de autocar diende ook nog wandelend opgezocht te
worden.
Tijdens
de rit naar
PHILIPPINE
kon evenwel enigszins tot
rust gekomen worden. Ondanks de lange wachttijd aan de kanaalbrug in Terneuzen
konden de West-Brabanders tijdig in ”l’Auberge des Moules” aan de gereserveerde
tafels aanschuiven voor het door de organisator beloofde mosselfestijn. De
dampende mosselpotten, begeleid door de vereiste dranken, werden gretig
aangesproken.
Het
buikje rond konden de reizigers tijdens de terugrit langs het kanaal via Gent
uitblazen en ze werden slechts gewekt om de organisator Cyrille in alle
toonaarden te bedanken voor deze door de zon overgoten dag.
RoDel